Onze eerste week Brazilië zit erop. Maandagmorgen vroeg vertrokken in Buenos Aires en naar Sao Paolo gevlogen. Een land verder, en op de luchthaven voel je al dat je in een andere wereld bent. Alle niet-Braziliaanse Zuid-Amerikanen vinden Brazilië trouwens een wereld op zich, niet helemaal deeluitmakend van hun eigen levenswijze. Op de luchthaven de tweede kennismaking (na het bezoek van de watervallen aan de Braziliaanse kant in Iguazu), waar je letterlijk alle kleurencombinaties in mensen ziet: van zwart, alle bruintinten tot lichthuidige, blonde types. En dan onderlinge kruisingen mogelijk: oneindig veel donkere mensen met lichte ogen, bizar en prachtig om zien.
Lang zijn we in Sao Paolo niet gebleven. Een stad met 20 miljoen inwoners, de derde grootste stedelijke agglomeratie ter wereld na Mexico City, maar ik moet nog eens googelen welke nummer één is (Mumbai of Peking?). Onze reisgids stelt dat als je geen week neemt om deze stad te leren kennen, je best meteen kan doorreizen. En als dan diverse van de aangeduide bezienswaardigheden nog de extreem extravagante hoofdkwartieren zijn van privébedrijven, dan nemen we deze raad ter harte. Op weg van de luchthaven naar het grote busstation, een rit van slechts één uur, passeren we 5 gevangenissen. Waarom ze prison break niet in Sao Paolo hebben opgenomen is ons een raadsel. Gezellig zien ze er niet uit. Ze zeggen wel eens dat het niveau van algemene ontwikkeling op humanitaire vlak is af te meten met hoe een maatschappij de mensen in de rand van de maatschappij opvangen. Dat belooft hier dus niet veel goeds. Diegene met geld in de gevangenis hebben trouwens niets tekort naar het schijnt. Je kan er alles kopen en krijgen, alleen nog duurder dan wat alles hier al kost. Zoals je wel eens hoort, runnen de bendeleiders hier hun business met GSM vanuit de cel verder. Interessant om eens met iemand te kunnen praten die Engels kan. Dat het slecht gaat met de mensen aan de onderkant van deze maatschappij wordt wat verder nog eens bevestigd als we onze eerste favela’s zien verschijnen onder de viaducten van de autostrades. Nu hebben we al wel eens wat gezien op onze reizen door zuidoost Azië of Midden-Amerika, Caroline zeker in India, maar sloppenwijken doen je toch altijd iets. Zeker als je ze ziet in een heuvelachtige stad, waar je kilometers verder trendy appartementsblokken ziet, en de lucht vol helikopters hangt. De middenklasse rijdt hier namelijk met de auto, maar de rijken verplaatsen zich allemaal per helikopter, omdat het verkeer hier zo’n ramp is.
Plan was om meteen naar het koloniale stadje Parati te gaan, tussen Sao Paolo en Rio de Janeiro. We waren net op tijd, maar de bus zat vol. Improviseren: ofwel 8 uur wachten tot de laatste bus die rond middernacht pas vertrok, ofwel blijven slapen in Sao Paolo, ofwel het anders regelen. Dan maar de laatste optie: doorreizen naar een locatie in de buurt en daar met lokaal transport doorreizen. Toen we, inmiddels al 22u ‘s avonds in Ubatuba aankwamen, een klein dorpje met een (blijkbaar) goddelijk surfstrand (kennen we beide niets van), was er natuurlijk geen bus meer te bekennen. Gelukkig waren er nog twee Nederlanders die hetzelfde plan hadden, en ook in hun opzet mislukten.. Met vier voel je je toch wat veiliger, zo’n eerste nacht in Brazilië waar je in een dorpje bent waar het dichtstbijzijnde hotel kilometers verder ligt en geen andere toerist te bespeuren is. Overnachting gevonden bij een lokale dame, supervriendelijk, zeer proper en voor een lage prijs (trouwens de enige keer dat hier al eens iets is meegevallen qua prijs, want voor eten, vervoer en overnachting betaal je hier Europese prijzen, wat waarzin is als je weet dat een groot deel van de bevolking hier moet overleven met iets van een één à twee dollar per dag. Nog maar eens een bewijs dat aan dit indrukwekkend land vanalles niet klopt). De dag erna dan met zijn vieren doorgereisd naar Parati.

In Parati de gebruikelijk zoektocht naar een overnachtingsplaats: weer pech. Blijkbaar begon de dag later het jaarlijkse internationale boekenfestival, waardoor alle prijzen voor logies maal 5 gingen en je on top minstens 4 à 5 nachten moest blijven. Van dien boer geen eieren, dan maar boeken voor één nacht en doorreizen. Parati was wel leuk en gezellig, lage witte koloniale huizen aan de zee waardoor je je verschillende huizenblokken in een andere tijd waande. Zeker doordat er geen auto’s mochten rijden in de historische straten. Wel werd er aan de charme afbreuk gedaan omdat op de drie grote pleinen reusachtige tenten werden gebouwd voor de congressen van de volgende dagen. Aan de capaciteit van de tenten te zien, zouden ze die dagen meer mensen ontvangen dan er volgens ons in het stadje leefde, dat verklaart natuurlijk wel iets van de prijsstijging voor de overnachting. Na een middag de sfeer opsnuiven in de straten waar het toch nog rustig was, wat Caipirinja’s ‘s avonds, gaan slapen om de dag erna nog maar eens door te reizen, deze keer naar Ilha Grande: het ‘grote eiland’, nog een halte verder naar Rio.
De weg naar Ilha Grande (busstrip van twee uur) was magnifiek. Slingerweg langs de kust, omhoog en omlaag, van de ene baai naar de andere, eilandjes in een diepblauwe zee en alles in een extreem fel groen. In eerder bezochte tropische landen, konden de bomen wel even groen zien, maar was het vaak droog en dor aan de grond. Hier dik en sappig gras, waar je na één maand met naar onze norm weinig groenten, je bijna zelf van zou willen grazen. Vanuit Angra dos Reis de boot op naar het eiland. Heerlijke tochtje op een oude houten zeilboot, die jammer genoeg wel op zijn motor de overtocht maakte, maar bon. De tocht nam ons eerst een stuk langs de kustlijn met zijn vele inhammen, waar bangelijke villa’s lagen, met privé aanlegstijger een een zicht van jewelste. Deze keer geen favela’s te bespeuren.

Het zicht op het eiland bij aankomst, was zeer vergelijkbaar met Koh Pipi in Thailand (het ganse eiland trouwens). Leuk dorpje (properder en ontwikkelder dan de Thaise tegenhanger, maar ook een pak duurder), tegen een achtergrond van Atlantisch regenwoud dat tot op de toppen van de bergen groeide. De eerste en de derde dag hebben we een 15 en 18 kilometer lang pad (heen en terug) gelopen door het woud, langs de kustlijn en over de heuvels, van het ene strand naar het ander. Daartussen mangroves, rotspartijen en glibberige zandpadjes op en neer. Leuk om je zo te moeten inspannen en dan op een prachtig strand te komen, die door het laagseizoen zo goed als verlaten waren. Diverse stranden waren trouwens verlaten, buiten de één à twee vissergezinnen die er leven. Buiten het dorpje waar we verbleven, waar de hostels en campings op de andere stranden zelfs gesloten, omdat er geen volk was. De tweede dag hebben we echter bijna de ganse dag op ons overdekt terras gezeten, omdat het de ganse dag regende. Ook dat kan gebeuren, en we hebben dan maar veel gelezen.
Het is trouwens opmerkelijk hoe onze instelling en houding is veranderd bij het aansnijden van dit tweede land op onze tocht. In Argentinië waren we nog op vakantie: alles doen en alles zien wat de moeite leek en onze tijd optimaal vullen en plannen door altijd een paar dagen vooruit te denken. Nu laten we het al veel meer over ons heen komen. Dat bleek maar toen we bemerkten dat we niet meer wisten welke dag en datum het was en we eigenlijk langer op het eiland hadden gezeten dat aanvankelijk gepland. En als het een dag regent, dan is het zo en doen we gewoon niets. Lekker filosofisch hé. Zoals de boutade zegt: ‘na regen komt zonneschijn’. We hebben het eiland vrij goed verkend, maar ook niet alle stranden opgezocht, ook al zullen er nog andere pareltjes tussengelegen hebben. We weten dat we er nog vele andere zullen zien, zowel in dit land als de volgenden. Lekker zo ontspannen zijn en vreemd dat hoewel het vakantiegevoel weggaat, en het echte reisgevoel groeit, we eigenlijk meer ontspannen reizen dan de eerst volgepropte weken. Wel balen we al eens dat we weer alles in onze rugzak moeten proppen, sleuren met al dat gewicht, kleren vochtig worden van het vochtige klimaat, maar dat weegt niet op tegen de rest. Het tijdelijke en vergankelijke karakter van alles komt tijdens reizen nog meer naar boven dan in het normale leven. Je hebt schitterende dagen, dan wat tegenslagen en de dag erna weer een reeks meevallers. Alles volgt elkaar gewoon veel sneller op. Daar kan je lessen uit trekken voor het dagelijks leven. Hopelijk kunnen we dit gevoel thuis ook lang vasthouden. Genieten van het goede als het zich voordoet, en tegelijk weten dat het wat later weer weg kan zijn, maar omgekeerd de tegenslag of verveling niet (teveel) aan je laten vreten. Leuk om dit eens met je hart te ervaren, en niet alleen in je hoofd te beseffen.
Wat ook tof was op Ilha Grande was het drie daagse festival voor de één of andere heilige. (Daar even laten zien dat Belgen goed kunnen 'tooghangen'.) Standjes om drank en eten, en zaterdagavond een dansfestival- voorstelling door de lokale jeugd die het verhaal en leven van de heilige in kwestie uitbeeldde. Chaotisch, maar wervelend en vol ironie en levenskracht. Hoe de mensen hier dansen, nog nooit gezien. En als de muziek weerklinkt, zie je kinderen van vijf tot tien jaar op dat ritme bewegen op een manier waar de meeste van ons na jaren dansschool nog niet zouden aan kunnen tippen. Door het zien van de dans hebben we de Braziliaanse volksaard wat beter leren kennen, want door hun gebrekkige kennis van het Engels, en onze niet-kennis van het Braziliaans, is communicatie onmogelijk, en lijken ze stug en vaak onvriendelijk. Hetzelfde denken ze ongetwijfeld van ons. Je kan Braziliaans wel wat lezen, trekt wat op Spaans, maar door sis klanken die ze overal toevoegen, versta je er niets van.

Na verschillende dagen ‘LOST’ gespeeld te hebben, terug de boot op, bus genomen naar Rio de Janeiro. Het gebeurt niet veel, maar ik heb stress over deze stad. We hebben verhalen gehoord van andere backpackers die hier met messen beroofd zijn. Waarschijnlijk hebben ze wel wat elementaire veiligheidsmaatregelen over het hoofd gezien, maar toch. Bij aankomst in het busstation, toch maar onmiddellijk in een taxi gesprongen en naar een veilige wijk gereden. Rijden door deze stad in een taxi is al wonderbaarlijk. Een stad tussen velen heuvels gebouw: moderne blokken, sommige knap, andere afzichtelijk lelijk, met daartussen vele bomen, soms nog bossen en wouden (grootse stedelijke woud is hier nog te vinden op dezelfde heuvel ‘morros‘ als het gekende Christus beeld) en hoe hoger op de berg, hoe erbarmelijker de sloppenwijken. Het gebeurt niet vaak, maar je verbeelding kan de waarheid hier moeilijk overtreffen. Als Brazilië ons tot nu toe niet echt verraste (misschien waren onze verwachtingen te hoog), geldt dit voor Rio wel. De laatste lichturen van de eerste dag zijn we al eens gaan kijken op één van de vele stranden van de stad: wat een belevenis. Dit is zo’n wereldstad, waar het sociale leven zich op het strand afspeelt. Enige stad waar ik dit zo’n beetje gezien heb in het verleden is Miami, maar dit overtreft alles. We verwachten dit ook zo wat in Sydney aan te treffen, maar dat is voor later. Honderden mensen zijn hier aan het volleyballen, voetballen, en andere strandsporten aan het doen. Acht mini voetbalvelden, waar op drie velden meisjes tegen elkaar voetballen. Verschillende van hen dan nog beter dan ik het ooit zelf ooit kon verdomme. Niet goed voor mijn ego, maar ja, voetbal is hier nu ook religie. Uitleven, kijken en bekeken worden: dit is een film, en het strand is een decor met de Suikerberg op de achtergrond. Hier krijg je gewoon zin om te sporten, iets wat de meeste steden niet onmiddellijk oproepen. Dit is een stad waar het sporten en de cultus van het lichaam deel uitmaakt van het leven. Waarschijnlijk omdat dit iets is waarin de arme drommel niet per se moet onderdoen doen voor de rijke stinkerd. Met enkele vierkante decimeter (of soms centimeter stof) om het lichaam, neemt de ongelijkheid soms in andere richting vreemde proporties aan. Beide staan we hier versteld van de verscheidenheid in mensen, en amuseren we ons rot met rondstaren. Na een eerste zeer korte kennismaking, hebben we beide het gevoel dat dit wel eens kans zou maken om onze top-stad te worden, maar het is nog even te vroeg om al conclusies te trekken. Alleszins lijkt dit een stad met de grootste tegenstellingen en contradicties, die we ooit gezien hebben.
Onze eerste volledige dag in Rio hebben we de legendarische stranden en buurten van Copacabana, Ypanema en Lebon afgelopen. Het maffe aan Rio is dat de bergen bijna tot het strand doorlopen en op die bergen dus de favela’s liggen. Vaak maar enkele straten van het strand verwijderd. Elke wijk heeft bijna zijn eigen favela (vaak geen straten, enkel trappen, illegaal op water en elektriciteit aangesloten, geen eigendomsrechten, geen belastingen, de betere in beton en snelbouwbaksteen, de echte arme in hout en golfplaten, een grijze vlek op de stadskaarten als het ware). Copacabana heeft veel van zijn pluimen verloren aan de straatzijde. Vele oude blokken, maar wel met een schitterend zicht. Ypanema en Leblon, het Knokke van Rio, is dan weer trendy. Het is vreemd als je kijkt in de straten die op de zee uitkomen, met luxueuze appartementen en condominium, om de favela’s te zien liggen. In Rio stad zijn er zo’n 600 favela’s. In groot Rio 980. In de grote wonen zo’n 300.000 mensen. Dan kan je al rekenen hé.

Twee dagen in Rio rondlopen doet je volgende zinnen uit onze reisgids met eigen ogen zien:
‘ Rio is nog steeds een wondere stad (nvdr dat kunnen we zeker beamen),maar ze staat op de rand van de afgrond. De armoede treft zelfs de betere klassen en hele families leven op straat in Ipanema, Copacabana en Leblon. 37% van de bevolking leeft in absolute ellende, en ongeveer een even groot percentage leeft in armoede. Corruptie teistert alle niveaus van de openbare instellingen, te beginnen met de politie (nvdr het geeft altijd een veilig gevoel om de wet aan je zijde te hebben). De rijken verschansen zich achter tralies en geavanceerde beveiligingssystemen (nvdr elke chique blokken heeft privébewaking, en er staan vandaag in Ipanema appartementen tot 2 miljoen euro in de krant, met eigen ogen gezien). De middenklasse leeft in permanente angst voor de armen, de zwarten, de duizenden straatkinderen. Het extreme geweld, vooral gericht tegen de jongeren uit de akela’s (74% van de slachtoffers van de moorden), heeft geleid tot een volledige scheiding der klassen….’
Alleen lopen die klassen wel door elkaar op straat. Je struikelt in sommige straten over de ene bedelaar na de andere, ziet hier vrij veel misvormde mensen die na ziektes niet goed behandeld zijn… En dan kom je in de buurt van de straten rond het strand en lopen de casanova’s en modellen er in hun badgrief (dan valt er natuurlijk niet veel te stelen, bevalve hun maagdelijkheid, maar die zal doorgaans ook al lang geroofd of ingeruild zijn) tussendoor. Op maandagmorgen telden we honderden wandelaars en joggers langs de stranden, en niet enkel gepensioneerden. Nu genoeg over de stranden.
Downtown, zona Norte, de businesswijk: niet veel soeps. Moderne gebouwen (‘t is te zeggen uit de jaren 70 of 80) naast oude vervallen gebouwen uit de 19e eeuw. Moest het niet zo lelijk zijn, zo ecclectisch en vreemd om zien, zou er echt niets te zien zijn.
Het gekende beeld van Christus, op 710 meter hoogte, met een prachtig uitzicht over de stad, en omgeven door het grootste stadpark / urban jungle in de wereld. Zicht op alle stranden, baaien en buurten van de stad.



S’middags een potje voetbal met Ronaldo gespeeld. Nick, je had me gezegd dat ik zijn bal moest afpakken. Hij was me steeds te snel af. Dan heb ik het maar op mijn manier opgelost, zoals ik dat vroeger ook wel eens deed.

Daarna bijna in de kaka getrapt. Nog een quiz-vraag: "Wiens voeten zouden het meeste waard zijn?"

Prins Carnaval met de queen of the prom.
Vandaag levend en onberoofd in Buzios aangekomen, en hier de eerste bar met WIFI gezien sinds onze aankomst in Brazilië. Is hier nu nu avond, we zitten op een loungie terras met zicht op zee. Morgen begint hier dan nog een internationale zeilwedstrijd, dus nogal een kosmopolitische bedoening. Buzios is gekend geworden omdat Brigitte Bardot hier kwam zonnen. Geen wonder dat het hier dan het Saint-Tropez van Brazilië is gaan heten. Het trekt er in menig opzicht op. Talrijke stranden en talrijke baaien. Hoewel het hier de koudste maand van het jaar is, is het nog een 20 tot 25 graden en in de zon is het best lekker voor een wintermaand.
Toch krijgen we beiden meer en meer de indruk dat de hoofdzaak van Brazilië draait om strand, eten, drinken en feesten. Niet de hoofdreden waarom wij aan deze tocht begonnen zijn, maar bon...
We hebben trouwens al een deel van onze plannen hier gewijzigd. Een binnenlandse vlucht naar de Amazone, Manaus, kost zowat 700 USD per kop. En de excursies daar zijn naar het schijnt ook waanzinnig duur. Maf hoe duur bepaalde dingen hier wel zijn! Af en toe dan maar aan budgetcontrole doen en de plannen ook eens wijzigen in de zin van iets te laten vallen i.p.v. erbij nemen.
Alleszins, wij zijn nog op en top gezond, wat toch het belangrijkste is op zo'n lange tocht!